maandag 24 juli 2017

Geloof en geloof

Mijn RD-column van 17 juni 2017

We zaten in een tuin, beschaduwd door een flink opgeschoten wilg, en het gesprek ging over geloof. Geloof is wat een schrijver van ons vraagt wanneer we een roman of gedicht lezen - maar is dat net zoiets als het geloof dat we in de kerk belijden?

We kwamen daarop door De vlek (2011) van Willem Jan Otten, een vertelling in dichtvorm over Abel Kans. Bij Abel is een grote vlek op de longen ontdekt. Later blijkt echter dat er foto’s zijn verwisseld: de vlek is van iemand anders, van de priester Josefsson.

Josefsson (de naam is een opzichtige hint) neemt als het ware de vlek over van Abel en is daarmee zijn plaatsvervanger: Ottens vertelling gaat over plaatsbekleding.

Tot zover is het verhaal voorstelbaar. Vreemd wordt het echter als beide personages overlijden. Abel sterft namelijk de serene dood van Josefsson; de priester komt op de manier van Abel, schreeuwend en tierend, aan zijn einde – en daarbij spreekt hij ook nog Abels platte Amsterdams, terwijl Josefsson voorheen een exotisch soort Nederlands sprak.

We constateerden dat Otten hier alle grenzen van de waarschijnlijkheid overschrijdt. Het kan gebeuren dat er foto’s worden verwisseld en het kan gebeuren dat mensen door een ziekte veranderen, maar dat de ene mens in een behoorlijk letterlijke zin van het woord iemand anders wordt? En dat die andere mens dan die ene wordt?

Toen viel dus het woord geloof. Wat een schrijver van ons vraagt is geloof, zei iemand. En zo begrepen we in elk geval wat Otten in ‘De vlek’ beoogt. Hij legt zijn lezers de vraag voor of ze werkelijk in plaatsbekleding kunnen geloven, door ze nog eens te laten zien hoe vreemd, onwaarschijnlijk en onvoorstelbaar het eigenlijk is.

Maar, zei iemand, kun je daar wel het woord ‘geloof’ voor gebruiken? Is het geloof waarmee we een schrijver geloven als hij een verhaal aan ons vertelt net zoiets als het geloof waarmee we het Evangelie geloven?

Hier had Augustinus ons kunnen helpen, bedacht ik achteraf. Aan hem wordt de onderscheiding toegeschreven tussen twee soorten geloof: het geloof als handeling (fides qua creditur) en de geloofsinhoud (fides quae creditur). Geloven als handeling is: ‘ik geloof hem’. De geloofsinhoud is: ‘dat is wat ik geloof’.

Zo hadden we het dus kunnen zeggen, denkend over geloof en plaatsbekleding in de schaduw van die wilg: verhalen verwachten van ons dat we in staat zijn tot geloof-als-handeling; het Evangelie verwacht daarbij ook dat we de geloofsinhoud als Waarheid aannemen. Dat is bij een verhaal net even anders.

donderdag 15 juni 2017

Progressieve chantage

Mijn RD-column van 25 maart

In de media lees ik dat de theoloog Tim Keller géén prijs krijgt van Princeton Theological Seminary. Dat zit zo: Keller zou op 6 april de Kuyper Prize krijgen vanwege zijn ‘innovatieve theologie’, maar omdat zijn standpunten door sommigen te conservatief worden bevonden, krabbelt het seminarie terug. Keller is namelijk tegen het bekleden van kerkelijke ambten door vrouwen en denkt conservatief over homoseksualiteit. Vrouwelijke dominees in de VS spreken over een ‘giftige theologie’ en nemen het woord ‘mishandeling’ in de mond.

Ik signaleer twee opmerkelijke aspecten aan deze kwestie.

De eerste betreft de tolerantie van de progressieve beweging, in de kerk in dit geval. Die tolerantie, waarop progressieven zich graag laten voorstaan, strekt zich blijkbaar uit tot allen die de juiste standpunten hebben – oftewel: niet zo ver. Je zou denken dat verdraagzaamheid juist opgebracht moet worden als iemand anders is of denkt dan jezelf. Het is namelijk nogal eenvoudig om verdraagzaam te zijn jegens iemand die in belangrijke opzichten lijkt op jezelf.

Vanwaar dit onvermogen om de tolerantie wat verder uit te strekken? Het zal te maken hebben met het bij progressieven onuitroeibare idee dat men het ethische gelijk aan zijn zijde heeft, en dat er dus verder niet geargumenteerd hoeft te worden. Conservatief denken over de vrouw in het ambt en over homoseksualiteit is in deze optiek niet eens onjuist, het is vooral slecht. En andersom: progressief denken is niet goed omdat het waar is, maar goed omdat het goed is.

Het tweede aspect heeft te maken met wat C.S. Lewis ‘bulverisme’ noemde: een manier van denken waarbij je er bij voorbaat van uitgaat dat je opponent het bij het verkeerde eind heeft en je denkt dat je alleen nog maar hoeft uit te leggen waaróm hij deze fout maakt. Probleem hierbij is dat je eerst moet aantonen dát je tegenstander een onjuist standpunt heeft – pas daarna kun je proberen te verklaren om welke reden hij dat standpunt inneemt.

Iets van dit bulverisme is aanwezig in de reacties op Keller: men suggereert dat hij zijn standpunt over vrouwen inneemt, omdat hij op vrouwen neerkijkt. Inderdaad: misschien kijkt Keller op vrouwen neer; misschien ook niet. Het maakt niets uit. Of hij vrouwen wel of niet minacht zegt namelijk niets over de juistheid van zijn ideeën over de vraag of vrouwen een kerkelijk ambt mogen bekleden.

Zeker, mensen zijn complex, en de wordingsgeschiedenis van iemands overtuigingen is ingewikkeld. Maar wie in alle redelijkheid van gedachten wil wisselen, doet er goed aan om eerst maar eens te gaan kijken naar die overtuigingen zelf. Spijtig dat Princeton toegeeft aan deze morele chantage.

Liters naamsverandering

Mijn RD-column van 2 februari 2017

Een oplettende journalist van het Nederlands Dagblad meldde vorige week dat het literaire tijdschrift Liter zich niet meer christelijk noemt. En inderdaad, op het laatste nummer van Liter staat ‘literair tijdschrift’ op de plaats waar altijd ‘christelijk literair tijdschrift’ stond. Hoofdredacteur Len Borgdorff legde in het ND desgevraagd uit dat het woord ‘christelijk’ potentiële lezers afschrikte, en dat is de reden dat het blad zich nu anders afficheert - zonder toelichting in het tijdschrift zelf overigens.

Voor wie Liter niet kent: we hadden in Nederland in de jaren negentig twee christelijke tijdschriften voor literatuur: Woordwerk van Hans Werkman, en Bloknoot van Dirk Zwart. Uit een fusie van deze twee tijdschriften ontstond in 1998 Liter, dat na verloop van tijd andere accenten bleek te leggen dan Woordwerk en Bloknoot, onder andere door plaats in te ruimen voor auteurs die niet uitgesproken christelijk waren. Liter werd een hoogstaand en zelfs 
enigszins elitair tijdschrift. Het wist diverse subsidies binnen te slepen; nog steeds is het Nederlands Letterenfonds geldschieter.

Is de naamswijziging dus te interpreteren als een gevalletje van ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt’? Van capitulatie voor religievijandige literatuurminnaars? Zat Liter met het christelijk geloof in zijn maag? Gaat bij Liter de reputatie boven de principes? Het kan allemaal meespelen, maar je kunt ook stellen dat het hele fenomeen christelijke literatuur als sociologisch verschijnsel een nogal krakkemikkige constructie is geweest. 

Zo is nooit goed duidelijk geworden of de term ‘christelijke literatuur’ betrekking had op schrijvers of op de boeken die ze schreven. Was elk boek dat Pieter Nouwen schreef een christelijk boek omdat Nouwen christen was? Hoorde een historische roman over Augustinus van een seculiere auteur bij de christelijke literatuur? Andere kwesties: golden er minimale normen (geen seks en geen vloeken) of maximale (christelijk getuigenis)? Hoe vrijzinnig mocht een schrijver zijn om toch nog bij de christelijke literaire wereld gerekend te worden? Was ‘christelijk’ een compensatie voor een literair tekort, en zo nee, waarom kwamen christelijke schrijvers dan niet elders aan de bak?

In de praktijk was het christendom van Liter bovendien al zo weinig scherp gearticuleerd dat het niet meer dan logisch is dat het blad zich nu herdefinieert als een tijdschrift voor literatuur en levensbeschouwing.

Een christelijk literair tijdschrift is niet onmisbaar; belangrijker zijn schrijvers die vrijuit orthodox zijn en goede boeken of gedichten schrijven. Het is mogelijk dat zo’n schrijver boven komt drijven via een (min of meer) christelijk literair tijdschrift en dan heeft het blad in dat opzicht een zeker nut gehad. Veel groter moeten we het niet maken.



donderdag 29 december 2016

Groen maar niet links

Mijn RD-column van 17 december 2016

Het heeft mij altijd verbaasd dat de milieuproblematiek zo weinig aandacht krijgt in conservatieve kringen. Conservatieve denkers en politici maken zich druk over allerlei vraagstukken, maar schijnbaar niet over de staat van onze planeet. Is dat omdat ze denken dat het een links thema is?

Enkele jaren geleden kwam de onverdacht conservatieve filosoof Roger Scruton met zijn boek Groene filosofie. Anders dan sommige rechts-populistische politici bleek hij geen klimaatontkenner. Zijn visie op de bescherming van natuur, milieu en landschap is een logisch uitvloeisel van een conservatieve kijk op de wereld.

Het is echter de vraag in hoeverre Scrutons ideeën zijn verwerkt door het conservatieve publiek. Thierry Baudet bijvoorbeeld, die een tijdje geleden een blije foto op Twitter zette van Scruton en zichzelf, met als onderschrift ‘Wij zijn het eens’ – het door Baudet opgerichte Forum voor Democratie wijdt op zijn site geen woord aan natuur en milieu, hoewel het een politieke partij beoogt te zijn.

Baudet zei onlangs op een bijeenkomst dat een door mensen veroorzaakte klimaatverandering ‘hoogstwaarschijnlijk flauwekul’ is. Als hij Scruton zou lezen in plaats van foto’s van hem te maken, zou hij weten dat Scruton op grond van gedegen bronnenstudie tot de conclusie komt dat menselijke invloed op klimaatverandering zeer aannemelijk is. We waren het toch eens?

Onlangs zag ik een mooie documentaire, waarin Alicja Gescinska bij Scruton op bezoek gaat. Het woord ‘idyllisch’ is volstrekt ontoereikend om te beschrijven hoe Scrutons boerderij op het platteland van Wiltshire eruit ziet.

Op zeker moment wordt Scruton gewezen op het ongebruikelijke van een conservatieve filosoof die  over het milieu schrijft. Hij reageert met te stellen dat het milieu ‘fundamenteel een conservatieve zaak’ is.  We zijn, zegt hij, op aarde als ‘trustee’ (beheerder). Je moet beheren wat de doden hebben nagelaten voor het welzijn van de ongeborenen, en dat geldt niet alleen voor het  menselijke, maar ook voor het natuurlijke kapitaal.

Het door en door Engelse-groene karakter van Scrutons woonomgeving is geen product van het soort nostalgie dat in populaire tijdschriften de boventoon voert, maar van een weldoordachte filosofie. De liefde voor ons thuis (in het klein en in het groot) is daarin een belangrijk element. Het is een thuis dat ons gegeven is, en dat we ook weer moeten doorgeven.

Zorgen voor de wereld om ons heen is dus geen linkse hobby, maar het past bij de aard van onze aanwezigheid op deze planeet. Als beheerder – anders gezegd: rentmeester – is het onze taak om te zorgen voor wat ons wordt toevertrouwd. Het zou absurd zijn om een uitzondering te maken voor alles wat met groen te maken heeft. 

Verbicide

Mijn RD-column van 5 november 2016

We zullen de overheid dus steeds minder het woord ‘allochtoon’ horen gebruiken. Alle media hebben aandacht aan de nieuwe richtlijn besteed; toen een en ander werd gepubliceerd ontplofte Twitter als vanouds; iedere bekende en bijna iedere onbekende Nederlander heeft er inmiddels publiekelijk het zijne van gezegd.

Wat je ook van de beslissing als zodanig mag vinden, de argumentatie die erachter zit is op een abstract niveau zonder meer juist. Woorden zijn nu eenmaal onderhevig aan betekenisverschuivingen; ze krijgen in de loop van de tijd een negatieve of juist positieve lading en op de lange duur schijnen ze zo te veranderen dat ze vooral nog bruikbaar zijn als scheldwoord of als compliment. Zoiets is, aldus de instanties, ook met de term ‘allochtoon’ aan de hand: die werd geïntroduceerd als een neutraal begrip, maar zou meer en meer veranderd zijn in een beladen kwalificatie (lees: men gebruikt het woord vooral in relatie tot criminaliteit).

In zijn boek Studies in Words (1959) schrijft C.S. Lewis over ‘verbicide’ – het ombrengen van woorden. Een van de meest voorkomende vormen daarvan is volgens hem juist deze: dat we bepaalde woorden minder en minder gaan gebruiken om iets te beschrijven en steeds meer om iets te evalueren. Dergelijke woorden verworden uiteindelijk tot niets meer dan interessant klinkende synoniemen voor ‘goed’ of ‘slecht’, dan wel voor ‘hou ik van’ of ‘hou ik niet van’. Denk aan het woord ‘gentleman’. Ooit betekende dat: iemand met grondbezit en een familiewapen. Maar als we nu iemand een ‘gentleman’ noemen, bedoelen we vooral iets vriendelijks over hem te zeggen.

Voor mensen in het algemeen geldt trouwens dat ze meer lijken te houden van het uitdelen van lof of kritiek dan van het rustig beschrijven van de werkelijkheid. Deze neiging wordt vervolgens ook weer op anderen geprojecteerd. Mijzelf is het meermaals overkomen dat ik in een krantenstuk een poging deed om een verschijnsel uit te leggen of te verklaren, maar dat mijn poging werd opgevat als een krachtige be- of zelfs veroordeling. Natuurlijk moet een schrijver dan allereerst de schuld bij zichzelf zoeken. Maar het lijkt er toch ook op dat de lezer vaak liever wil weten wat de schrijver ergens van vindt dan hoe de schrijver denkt dat de wereld in elkaar steekt.

Dit alles heeft vervelende effecten. Een ervan is dat mensen die woorden wel willen gebruiken om iets over de werkelijkheid te zeggen (in plaats van over hun oordeel over de werkelijkheid) veelvuldig worden misverstaan, tenzij ze alles wat ze zeggen omstandig gaan toelichten. Ik kan niet goed inschatten of het woord ‘allochtoon’ al zozeer was aangetast dat het aan vervanging toe was. Maar voor alle andere woorden is het nog niet te laat: gebruik ze dus met zorg.

vrijdag 28 oktober 2016

De nijlgans, een vertelling

Op een zomerse dag fiets ik door het park en zie ik een nijlganzenfamilie rondscharrelen: moeder en een serie jonkies.

Nu kan ik de meest onooglijke vogelsoorten met een groot genoegen het leven zien vieren, maar als er nijlganzen in mijn blikveld komen schijnt er een soort moordlust  in mijn oog te gaan blikkeren.

Het is niet dat ze zo lelijk zijn, met dat raar gekleurde oog en die witte rechthoek op de vleugels, of dat ze een vervelend klinkend schor gesnauw voortbrengen. Het probleem is simpelweg dat ze massaal en onophoudelijk onze goed-Hollandse vogelsoorten koeioneren, bedreigen en mishandelen. Een nijlgans die een territorium vestigt, mept alles uit zijn gebied wat vleugels en een snavel heeft – soms tot knobbelzwanen toe. Over grutto’s, kieviten en tureluurs hoeven we het dan al helemaal niet te hebben: die maken geen schijn van kans tegen deze invasieve exoot, deze verwilderde parkvogel met zijn dubbele paspoort.

Nijlganzen pikken ook hardhandig de nesten van andere vogels in: van eenden, maar ook van kraaien en roofvogels. Ze schijnen zelfs jongen van andere eenden te verdrinken. Het is agressie voor en na.
Nijlganzen zijn testosteronbommen met korte lontjes. Het zijn de Vomarboys van de vogelwereld. En ze komen er nog goed mee weg ook, want elk jaar zie ik er meer.

Maar nu, in het park, krijg ik dus mijn kans. Moeder en jonkies lopen over het gras richting het water.

Als ik afstap, hebben ze al het ruime sop gekozen. Een van de kleintjes is echter tussen wal  en schip geraakt: het water heeft zo hoog gestaan dat er tussen de beschoeiing en het gras nog een stukje water is, en daar zit-ie – hopeloos gevangen, want met geen mogelijkheid komt hij over de beschoeiing heen en ik sta al zo dicht bij hem dat ook het gras geen uitweg biedt.

Moeder nijlgans brengt de akeligst denkbare geluiden voort, en mijn brein de akeligste denkbare gedachten. Hier doet zich eindelijk een kans voor om eigenhandig wat te doen aan de tomeloze expansie van dit wild gediert. Nu kan er een daad gesteld worden en een jarenlang opgekropte ergernis productief gemaakt.

Gedachten die duren tot ik naar het kuiken zelf kijk. Het heeft, zie ik, wel wat van een jonge bergeend met die mooie zwart-wittekening – en vooral: het is een beestje dat op dit moment alles doet om te overleven. Niets, werkelijk niets van de weerzinwekkendheid van zijn volwassen soortgenoten is eraan te bespeuren.

Even later zwemt het in ijltempo naar zijn moeder toe.



Mijn RD-column van 23 september 2016

maandag 19 september 2016

Eerst liefde, dan pas haat

Zoals vaker is het C.S. Lewis die de vinger legt bij een te weinig gesignaleerde kwestie. Grasduinend in zijn boek De vier liefdes (1960) kom ik in het hoofdstuk over caritas terecht en wat ik daar lees doet me even opveren. ‘Het is’, schrijft Lewis, ‘niet ongevaarlijk om iemand de plicht op te leggen boven zijn aardse liefde uit te stijgen als zijn eerste moeite nog ligt in het toekomen aan die aardse liefde.’ Als we onze medeschepselen minder liefhebben, denken we maar al te gemakkelijk dat dat komt doordat we God meer liefhebben – maar wellicht is er een heel andere en minder positieve reden voor. We kunnen, aldus Lewis, ten onrechte het verval van de natuur aanzien voor een groei in de genade.

Aardse liefdes, dat zijn de liefdes waarover Jezus spreekt in Lukas 14 vers 26: de liefde tot je vader en moeder, vrouw en kinderen, broers en zussen. Het gaat om de mensen in onze directe omgeving, en we weten dat Jezus ons oproept om ze te ‘haten’. Maar in deze oproep is, zoals bijna overal in de Bijbel, iets verondersteld, en wel dat we normale mensen zijn. En normale mensen hebben hun verwanten lief. Iemand die een hekel heeft aan zijn broers of zussen, begaat geen christelijke daad door ze te ‘haten’. Maar wie ze liefheeft en toch op zeker moment prioriteit geeft aan wat boven hen uitgaat, wel.

Zouden we in het rijtje natuurlijke liefdes ook vaderlandsliefde mogen opnemen? Ik bedoel daarmee niet alleen de liefde tot de natie, maar ook tot al het lokale en het eigene waarin een persoon geworteld is: zijn Heimat. Is iemand die daarover onverschillig doet, niet ook onderhevig aan een ‘verval van de natuur’? Wanneer deze onverschilligheid een christelijk sausje krijgt, kunnen we zelfs gaan denken aan een ‘groei in de genade’. Maar ten onrechte: ook hiervoor geldt dat we worden opgeroepen om te ‘haten’ wat we liefhebben, niet om te haten waar we toch al niets om geven.

Wie de gedachtegang van Lewis volgt, kan zelfs stellen dat iemand die zonder natuurlijke liefdes leeft, eerst maar eens normaal moet worden, dat wil zeggen: iemand moet worden die liefheeft wat hij natuurlijkerwijze behoort lief te hebben: zijn naasten en zijn vaderland. Pas als dat in orde is, kan hij zijn liefde ten offer brengen aan iets wat daar bovenuit gaat: hij is dan mens geworden alvorens christen te kunnen worden. 

Mijn RD-column van 18 juni 2016